Rustdag: tijd om te schrijven
Hierbij 2 berichten van de rustdag 22 mei vanuit een informeel herbergje aan de voet van de Pyreneeën.
Het eerste bericht komt van de hand van Jan, het tweede is geschreven door Bart.
Jan schrijft:
Ruim 1600 km in de benen, aan de voet van de Pierreneejes...
We zijn zaterdagmiddag om 17.00 uur aangekomen in een auberge, op het platteland rondom Nay, na een rit van 85 km, weinig voor ons doen. Informeel familiebedrijfje, grootvader en kleinkinderen lopen in het hotel rond te spelen, leuk sfeertje.Morgenochtend uitslapen, om 9.00 uur ontbijten en een ritje naar Lourdes maken.
Tot nog toe is de reis voorspoedig verlopen.
<>De vertrekdag in Nistelrode was regenachtig, maar we zijn niet echt zeiknat geworden. Verder hebben we vanuit Vezelay een regenachtige dag gehad, maar zijn ook toen niet echt nat geworden. >Op de 4e dag, de rit van Vezelay naar Nevers hebben we een straffe tegenwind gehad. De rest van de dagen was droog, ‘s morgens koud, s’middags al warmer en een rustig windje in de rug. Vooral met de wind hebben we geluk gehad, geloof ik. Als ik de verhalen van andere pelgrimeurs lees, hebben die nogal wat dagen met flinke tegenwind gehad. <>We hebben intussen een flinke voorsprong op ons oorspronkelijke tijdschema opgebouwd. Er zaten wel een paar zwaardere dagen tussen, maar het geeft nu wel een rustig gevoel om wat tijdreserve te hebben.>Het vinden van hotels is wat moeilijker. Ze zijn minder dicht bezaaid dan ik me had voorgesteld.
We rijden meestal over rustige landwegen, door veel kleine dorpjes. Soms maar 10 huizen bij elkaar. Je kunt er rustig een kanon afschieten. Het wegdek is niet altijd even best. Zo aan het eind van de dag, komen we tot de ontdekking, dat we eigenlijk tijd te kort komen om nog bijtijds in de eerstvolgende plaats met hotel te komen en dan wijken we wel eens stiekem, als de heilige Jacobus het niet ziet, van de officiele route af en nemen een grotere verkeersweg, minder kilometers en een mooi vlak wegdek. Wel heb je dan meer auto’s op de weg. Maar het is opvallend hoe netjes de automobilisten ten opzichte van fietsers zijn. Ze gaan ruim om je heen en als er een tegenligger komt blijven ze rustig een hele tijd achter je rijden, totdat ze je veilig kunnen passeren.
Van voorkeursbehandeling van pelgrims heb ik nog niet veel gemerkt. In Orval mochten we niet eens in het klooster slapen (en Martin en Jose wel). Alleen in Nevers hebben we in het klooster geslapen, maar die 36 Euros is niet eens goedkoop ten opzichte van gewone hotels. Volgens mij worden de pelgrims als melkkoetjes beschouwd. Ik heb ook de indruk, dat de honden tegen pelgrims harder blaffen.
Medepelgrims. Na 100 km kwamen we een halve pelgrim tegen, na 200 km een hele pelgrim, na 300km 2,25. Dus de formule voor het aantal tegengekomen pelgrims wordt dan ½ x het kwadraat van 1/100 van de afstand.
Je hebt verschillende soorten pelgrims:
- daar zijn de eenzame wandelaars, die zwaar bepakt met tent rondtrekken
- daar zijn groepen van wandelaars, 2, 4 of meer (zoals die groep van 10 vanuit Moissac met een zieke op brancard bij zich.
- Daar zijn fietsers, alleen met tent en kookspullen, 25 kg bagage aan de fiets hangen
- daar zijn 2 fietsers met tent, die kunnen de tent en kookspullen tenminste nog over 2 fietsen verdelen
- daar zijn de fietsers, die in hotelletjes slapen, zoals wij
- daar zijn fietsers zonder bagage, die hebben familie of vrienden met een camper, die mét hen van plaats naar plaats rijdt.
- Pelgrims te paard, zoals in onze reisgids als mogelijkheid aangegeven, die hebben we nog niet gezien.
Als je de beschrijvingen in onze reisgids leest, dan zijn er veel plaatsen waar van oudsher al pelgrims door heen trokken. Vroeger, toen er nog geen autosen fietsen waren, was dat boetedoening voor arme zondaars. In Rocamadour is een hellingbaan van 200m, die ze dan op hun blote knieen moesten afleggen. En dat alles om maar zeker te zijn, dat je later in de hemel kwam. Al dat hedendaagse gesukkel van die wandelaars, zoals boven omschreven, heeft natuurlijk toch ook nog wel iets van boetedoening. In ieder geval is het een simpele manier van reizen en goedkoop. We zien er toch allemaal een beetje uit als armoedzaaiers.
Geen wonder dat ze me hartelijk uitlachten in dat dure hotel in Chateaumeillant! Ze hadden daar nog nooit pelgrims binnen gehad. Waarom gingen we er dan toch in, wel het begon te regenen en we hadden na 100km geen zin om nat te worden.
Vroeger!! Als je dat leest in de reisgids. Vroeger toen trokken er hele groepen pelgrims tegelijk naar Santiago. Toen werden ze goed verzorgd, toen kregen ze eten en drinken en onderdak onderweg en waren er ziekenhuizen, waar de zieke pelgrims verzorgd werden. Het liep echter niet altijd goed met ze af, er zijn ook pelgrimkerkhoven. Maar nu, nu is die verzorging er niet meer, wij moeten het allemaal zelf maar uitzoeken. Wat zijn we toch zielig!
De naam is Camino de Santiago in het spaans. De naam Santiago is van St Jacobus, de apostel, wiens lijk hier 100 jaar na Christus, of zoiets, begraven is.
DeFransen noemen hem St Jacques, gewoon de roepnaam in hun eigen taal. Je ziet bordjes langs de weg met "direction St. Jacques".
Als wij dat in het Nederlands doen, dan zouden wij de roepnaam Sjaak of Sjakie gebruiken.
Dus ik heb het af en toe over de heilige Sjaak of de heilige Sjakie.
Het pelgrimscircus oftwel Sjakie zijn circus.
Het heeft toch wel iets van een rondtrekkend circus: die wandelaars, die fietsers, die bordjes langs de weg, die hotels met de naam Compostelle. Pelgrimsmenus, overnachtingen voor pelgrims. Die heb ik overigens nog niet zo veel gezien. Ook is het niet zo dat pelgrims in hotels korting krijgen. Je moet gewoon het volle pond betalen. Mensen onderweg, die naar je zwaaien en je bon courage, goede moed, toewensen. De honden die naar je blaffen.
Is dit nou allemaal leuk ?
Ja.
Wat is er dan zo leuk aan.
Dat weet ik ook niet precies
Leven is, jezelf een weg zoeken in de vele mogelijkheden, die dit aardse bestaan biedt. Keuzes maken. Op weg zijn naar..... de dood. Niet dat iedereen daar nou zo enthousiast mee bezig is, maar het is wel het eindpunt.
En daar zijn wij nou ook letterlijk mee bezig, ons een weg zoeken naar dat eindpunt in Santiago de Compostela.
In ieder geval geniet ik nog van elke dag. Aan het eind van de dag, wordt de kont wel wat hard op het zadel, die ene dag was het een beetje al te warm buiten, maar verder bevalt het allemaal prima.
Bart schrijft:
Hier in het kort nog een verhaaltje over 22 mei s ‘avonds uit de bergachtige omgeving van Lourdes, uit een stadje genaamd Nay, op een zondag in de maand mei. In het hotelletje waar we logeren is er een prima verzorging op zondag van bed tot het ontbijt. Maar avondeten, ho maar, de herbergierster neemt haar zondagsrust. De maag vraagt toch om wat, dus in de avond na de regenbuien op de fiets 4.5 km naar het stadje op zoek naar een eetgelegenheid.
Wat verbaast ons: geen enkele tent open. Dus gevraagd aan lokale bewoners naar een open restaurant in de omgeving. Verbaast over onze vraag, doch krijgen uiteindelijk allerlei adviezen van o.a na het stoplicht rechts en 8 km verder de berg op. Na 8 km gefietst te hebben en nog steeds geen restaurant gezien te hebben, passeren we een benzinepomp en het besluit is snel genomen, hier kun je brandstof kopen. Er worden wat mikken, melk, een pot eendenpaté en een fles rode wijn ingeslagen. We zetten ons computertje aan en ja hoor, hier ter plaatse verbinding met de moderne wereld. We verzenden onze verslagen en nemen meteen kennis hoe het thuisfront over onze trip denkt. Terug gefietst naar ons hotelletje voor het nuttigen van de gekochte waar. De herbergierster staat bij de deur om te vragen naar onze ervaring van de geplande dagtrip naar Lourdes doch neemt kennis van de werkelijkheid. Met verbazing neemt ze kennis van ons verhaal en biedt ons aan de melk warm te willen maken. We tonen onze dank voor haar bereidwilligheid ons alsnog te willen helpen, en gaan naar onze kamer met een paar borden uit haar mooie servies.
Tenslotte willen we iedereen danken voor de spontane reacties! Dat geeft de burger energie! Bart

0 Comments:
Een reactie posten
<< Home